In het vorige artikel in dit dossier kwam de ontslagbescherming van leden van ondernemingsraden in de private sector aan de orde. Hier wordt ingegaan op de ontslagbescherming van leden van medezeggenschapsorganen bij de overheid.
Is de positie van de ambtenaar nu slechter dan die van de civiele werknemer? Daar waar er voor de werknemer in het Burgerlijk Wetboek sprake is van een schijnbaar absoluut opzegverbod, moeten ambtenaren een dergelijke bescherming ontberen. Een werkgever in de private sector die een lid van de ondernemingsraad wenst te ontslaan, zal vaak de weg via de Kantonrechter volgen, waarbij er om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht op grond van gewichtige redenen, bijvoorbeeld een reorganisatie, disfunctioneren of verstoorde arbeidsverhouding. In dergelijke procedures zal worden beoordeeld of het ontslag verband houdt met het lidmaatschap van de ondernemingsraad. Is dit het geval, dan zal de Kantonrechter normaal gesproken niet over gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Is van het verband geen sprake, dan zal de Kantonrechter de arbeidsovereenkomst normaal gesproken wel beëindigen, ook indien het een lid van de ondernemingsraad betreft.
Uit de rechtspraak in verband met het ontslag van leden van ondernemingsraden bij de overheid, volgt in ieder geval ook nog dat het ontslag van ambtenaren die lid zijn van medezeggenschapsorganen, wel getoetst dienen te worden aan de norm zoals deze staat opgenomen in artikel 21 van de Wet op de Ondernemingsraden. In dit artikel staat het algemene benadelingsverbod opgenomen. Hierbij zal de ambtenaar dienen aan te tonen dat hij benadeeld is. Het theoretische verschil met de positie van een werknemer in de private sector is dat daar de werkgever aannemelijk dient te maken dat het verband tussen ontslag en lidmaatschap van de ondernemingsraad afwezig is. Dit levert een nadeel op voor de ambtenaar. De in de Wet- en regelgeving opgenomen ontslagbescherming voor leden van de medezeggenschap bij de overheid is van een minder gehalte dan die in de private sector.
Een veel gehoorde klacht van leden van ondernemingsraden is dat zij het perspectief in hun eigen loopbaan dreigen te verliezen, terwijl vergelijkbare collega’s, die niet in de ondernemingsraad zitten, dit perspectief wel behouden. Het niet in aanmerking komen voor bonussen en/of prestatietoeslagen is een niet zelden voorkomende omstandigheid die in verband kan staan met het lidmaatschap van de ondernemingsraad. Het niet kunnen voldoen aan op zichzelf objectieve gestelde criteria is hiervan vaak de oorzaak. Dat heeft echter vaak te maken met het gegeven dat er veel tijd dient te worden besteed aan de medezeggenschap. De gedachte bij deze benadelingen is niet zozeer dat werkgevers hier van kwade trouw kunnen worden beticht. Het is echter aan hen om een systematiek te ontwikkelen waarbij het lidmaatschap van een ondernemingsraad geen benadeling kan opleveren voor een betrokkene.
Er worden opvallend weinig zaken op het terrein van benadeling van leden van ondernemingsraden aan rechters voorgelegd. Een belangrijke reden hiervan zal zonder meer zijn dat het vaak moeilijk valt te bewijzen dat een nadeel direct verband houdt met het lidmaatschap van de ondernemingsraad. Dit probleem zou kunnen worden ondervangen door de bewijslast om te keren. De tekst van de Wet geeft hiertoe ook wel enige aanleiding. Op het moment dat een feitencomplex aanleiding geeft tot de gedachte dat er sprake is van benadeling, zou het dan aan de werkgever zijn om te bewijzen dat hij heeft voldaan aan zijn zorgverplichting en dat er binnen zijn bedrijf geen sprake is van benadeling van leden van de ondernemingsraad in hun positie in de onderneming. Indien er een benadeling door een rechter wordt geconstateerd kan hij de werkgever gebieden om aan de benadeling een einde te maken. Ook een veroordeling tot schadevergoeding behoort tot de mogelijkheden.












