Van de 3.000 tot 6.000 Nederlandse bedrijven die oorspronkelijk onder de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) zouden vallen, blijven er naar verwachting nog ongeveer 220 over. Die forse inperking is het gevolg van het Omnibus-pakket van de Europese Commissie. Veel bedrijven die zich jarenlang hebben voorbereid, vallen straks buiten de verplichting. Wat betekent dat in de praktijk? Stoppen bedrijven met hun duurzaamheidsrapportage? Hoeveel ondernemingen blijven uiteindelijk over? En wat was de rol van de politiek en lobby in deze koerswijziging?
De grote omslag
De oorspronkelijke CSRD was bedoeld om duurzaamheid een volwaardige plaats te geven. Bedrijven moesten naast hun financiën inzicht geven in hun impact op klimaat, milieu, werknemers en maatschappij. Dat zou niet alleen transparantie creëren voor investeerders, maar ook bijdragen aan de verduurzaming van de Europese economie. In de eerste opzet zouden uiteindelijk duizenden Nederlandse bedrijven onder de rapportageplicht vallen. Een recente brief aan de Tweede Kamer van minister Eelco Heinen van Financiën gaat uit van een getal ‘voor Omnibus’ van tussen de 3.000 en 6.000 ondernemingen.
“Het is door Omnibus een veel kleiner deel geworden”, zegt Bartels. Vanaf boekjaar 2027 vallen alle bedrijven onder de verplichting die meer dan 1.000 werknemers hebben en meer dan € 450 miljoen omzet realiseren. Aan beide criteria moet worden voldaan. Volgens de Kamerbrief blijven er daardoor naar schatting 220 bedrijven over.
Wij blijven over?
De nieuwe drempelwaarden zorgen ervoor dat vooral de grootste ondernemingen binnen de reikwijdte blijven. Denk aan bedrijven als Heineken, Tata Steel, Shell, KLM en andere grote beursgenoteerde ondernemingen. Ondernemingen die tussen de oude en nieuwe grenswaarden vallen, verdwijnen uit beeld. Dat geldt bijvoorbeeld voor beursondernemingen met meer dan 500 maar minder dan 1.000 werknemers. “Die groep had zich vaak al uitgebreid voorbereid op de invoering van de CSRD”, aldus Bartels.
“De exacte omvang van deze groep is moeilijk vast te stellen”, zegt de deskundige. “Maar het is wel duidelijk dat het om een aanzienlijk aantal bedrijven gaat dat eerder wel en straks niet meer onder de richtlijn valt.” De schatting daalt daarmee van 3.000 tot 6.000 bedrijven naar 220.
Administratieve lasten verminderen
Waarom komt de Europese Commissie terug op een regelgevingstraject dat nog maar net op gang was gekomen? Bartels: “Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, concludeerde na een bezoek aan de Verenigde Staten dat de EU bedrijven veel regeldruk oplegde. Vervolgens ontstond het streven om de administratieve lasten voor ondernemingen aanzienlijk te verminderen. Daar kwamen later geopolitieke ontwikkelingen bovenop. Daarbij speelden ook de oorlog in Oekraïne, de toenemende concurrentiedruk vanuit de Verenigde Staten en China, en de stijging van de energieprijzen. Daarmee namen de zorgen over de Europese concurrentiekracht toe. Die versterkten de roep om vereenvoudiging van de CSRD.”
Toen de Europese Commissie eenmaal had aangekondigd dat de regelgeving eenvoudiger moest worden, kwam ook een omvangrijke lobby op gang. Werkgeversorganisaties, brancheverenigingen en bedrijven probeerden invloed uit te oefenen op de drempelwaarden. "Er zijn allerlei getallen voorbijgekomen”, zegt Bartels. “Van 1.000 werknemers tot veel hogere grenzen. Dat proces is zeker beïnvloed door lobbyactiviteiten. Echter, de wens voor vereenvoudiging is niet uitsluitend door lobby ontstaan. De politieke wens om Europese bedrijven concurrerender te maken, speelde minstens zo'n grote rol.”
Terugschalen kan logisch zijn
Op het eerste gezicht lijkt de inperking van de CSRD een forse stap terug voor de duurzaamheidsrapportage. Bartels: “De oorspronkelijke bedoeling van de Europese Green Deal was nooit om bedrijven te laten rapporteren om het rapporteren. De Green Deal had als hoofddoel om Europa tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent ter wereld te maken. Rapportage was slechts een middel om die verduurzaming te versnellen.”
Daarom waarschuwt hij bedrijven die denken dat zij nu kunnen stoppen met duurzaamheid. “Minder rapportageverplichtingen betekent niet dat duurzaamheid minder belangrijk wordt. Duurzaam zijn en daar goed over rapporteren kan onder meer helpen om minder rente op je financiering te hoeven betalen.”
Wat gebeurt er met ondernemingen die de afgelopen jaren veel geld, tijd en capaciteit hebben geïnvesteerd in CSRD-projecten? Volgens Bartels blijkt in de praktijk dat veel bedrijven gewoon doorgaan. “Dat hoor ik van de meeste bedrijven. Ze kijken nog eens kritisch naar bepaalde detailvereisten, maar ‘that’s it’. Vooral grotere ondernemingen waren vaak al jarenlang bezig met duurzaamheidsrapportages voordat de CSRD überhaupt werd ingevoerd. Voor hen verandert de basisaanpak nauwelijks. De grootste aanpassing zit vooral in de hoeveelheid detailinformatie die moet worden verzameld en gerapporteerd.”
Onzekerheid bij bedrijven en accountants
Een groot deel van de vereenvoudiging zit in de herziening van de European Sustainability Reporting Standards (ESRS), de technische rapportagestandaarden onder de CSRD. De eerste versie bevatte ongeveer 1.100 mogelijke datapunten. Dat leidde in de praktijk tot veel onzekerheid bij bedrijven en accountants. “Veel ondernemingen waren bang iets over het hoofd te zien en gingen daarom over vrijwel alle punten rapporteren. In de herziene versie hebben we het aantal datapunten daarom teruggebracht naar iets meer dan 300. Als EFRAG hebben we vooral de verplichte detailinformatie geschrapt. Echter, de kern van de rapportage blijft overeind.”
Om te bepalen welke onderwerpen materieel zijn, voeren bedrijven een dubbele materialiteitsanalyse uit. Daarbij kijken zij zowel naar de impact van hun activiteiten op mens en milieu als naar de financiële risico's en kansen die duurzaamheid voor het bedrijf oplevert.
Vervolgens moeten ze aangeven of ze beleid hebben ingevoerd. En zo ja, welk beleid. Ook gaat het over of en welke doelen zij stellen, of en welke maatregelen zij nemen en hoe zij de voortgang daarvan meten. “Het is meer principe-georiënteerd”, concludeert Bartels. “Rapporteer over de belangrijkste vraagstukken op het gebied van milieu, maatschappij en ‘governance’ en leg uit hoe je die beheerst. Dat is de kern.”
CO2-intensieve sectoren
Bedrijven in de energiesector, industrie en andere CO2-intensieve sectoren zullen klimaatverandering vrijwel altijd als materieel onderwerp aanmerken. Zij zullen moeten blijven uitleggen hoe zij emissies verminderen, investeren in elektrificatie, circulair werken of andere verduurzamingsmaatregelen nemen. “Als klimaatverandering een belangrijk onderdeel van je strategie is of je eraan bijdraagt met je kernactiviteiten, dan blijft dat gewoon een onderwerp waarover je rapporteert.”

De oorspronkelijke CSRD was in Nederland nog niet volledig omgezet in nationale wetgeving. Een Europese richtlijn geldt namelijk niet automatisch rechtstreeks voor alle bedrijven. Lidstaten moeten zo’n richtlijn eerst verwerken in hun eigen wetgeving. Nederland liep daarmee achter. Daardoor konden Nederlandse bedrijven strikt genomen zeggen dat er nog geen nationale wet was die hen verplichtte om volgens de CSRD te rapporteren.
Verstandiger om door te gaan
Volgens Bartels gingen vrijwel alle Nederlandse bedrijven die onder de eerste CSRD-golf vielen toch aan de slag. “Zij redeneerden: de Europese regels komen eraan, we rapporteren vaak al langer over duurzaamheid en het is verstandiger om door te gaan dan af te wachten.”
Vervolgens veranderde de EU de spelregels met de Omnibus-aanpassing. Straks vallen alleen bedrijven onder de CSRD die meer dan 1.000 werknemers hebben en meer dan € 450 miljoen omzet realiseren. Bedrijven die eerder wel onder de richtlijn zouden vallen, maar door deze nieuwe drempels buiten beeld raken, zouden daardoor in theorie nog over 2025 en 2026 moeten rapporteren. Om daarna vanaf 2027 weer te mogen stoppen.
'Stop the clock'
Om dat te voorkomen kwam Europa met de zogenoemde ‘Stop the clock’-richtlijn. Die overgangsmaatregel moet voorkomen dat bedrijven tijdelijk vastzitten aan rapportageverplichtingen die kort daarna alweer verdwijnen. In de woorden van Bartels: “Anders zouden bedrijven nog twee jaar moeten rapporteren, terwijl zij daarna niet langer onder de CSRD vallen. Dat is moeilijk uit te leggen.”
De twee trajecten lopen dus door elkaar: de vertraagde invoering van de oorspronkelijke CSRD en de nieuwe Europese uitstel- en versoepelingsmaatregelen. Daar komt bij dat de Raad van State kritiek heeft geuit op het idee om de CSRD-verplichtingen in Nederland met terugwerkende kracht in te voeren. Bartels: “De kern daarvan is dat je bedrijven niet achteraf wettelijk kunt verplichten tot iets wat op dat moment nog niet in Nederlandse wetgeving is vastgelegd.”
Praktische impact beperkt
De praktische impact voor grote ondernemingen van de CSRD-wijzigingen is volgens Bartels beperkt. Bedrijven die zeker onder de CSRD blijven vallen, gaan meestal door op de ingeslagen weg. Zij gebruiken de nieuwe regels vooral om het aantal datapunten en de hoeveelheid detailinformatie terug te brengen.
Volgens Bartels is het voorbereidende werk dat bedrijven hebben verricht niet verloren, ook niet als zij straks niet meer onder de CSRD vallen. “De opgebouwde data, processen en inzichten blijven bruikbaar voor interne sturing, klanten, financiers en ketenpartners. De CSRD wordt kleiner, maar de behoefte aan betrouwbare duurzaamheidsinformatie verdwijnt niet. Al was het maar om je financiers, beleggers en bij jouw bedrijf betrokken groepen te laten zien dat je duurzamer onderneemt.”










